Elk kind op de wereld zou dezelfde ontwikkelingsstadia moeten doorlopen

Elk kind op de wereld zou dezelfde ontwikkelingsstadia moeten doorlopen

De stadia van ontwikkeling zijn specifiek bedoeld om de reacties van de baby op de prikkelingen van de wereld om hem heen te begeleiden. Een pasgeboren baby zou bijvoorbeeld moeten reageren door zijn vingers om het voorwerp dat in zijn handje wordt gelegd, te sluiten. Hij zou moeten gaan zuigen wanneer een tepel of speen in zijn mond geplaatst wordt. Hij zou moeten schrikken van een plotseling hard geluid naast hem. Al deze reacties zijn normale reacties voor de jonge baby en worden "de primitieve reflexen" genoemd. Gedurende de eerste babytijd reageert het kind automatisch op de wereld om hem heen, hij heeft geen logische gedachten bij deze acties. Zijn hersenen werken op het laagste niveau.

Als de baby opgroeit, moet hij deze primitieve reflexen door bewegingen onder controle krijgen van een hoger deel van de hersenen. En door deze controle gaat hij van de automatische grijpbeweging, wanneer er een voorwerp in zijn hand geplaatst wordt, naar de baby die voor zichzelf besluit of hij iets vast wil houden, en daarbij de gewenste bewegingen kan maken.
In het fysieke maken van de bewegingen van het vroege zuigen, grijpen, tijgeren en kruipen, speelt de baby een actieve rol in het stimuleren van zijn hersenen om de moeilijkere taken in het latere leven aan te kunnen. Dit is vooral belangrijk wanneer we kijken naar de vaardigheden welke we verwachten dat een kind in school zou moeten hebben.
Wanneer kinderen naar school komen, verwachten wij dat zij kunnen stilzitten en goed opletten; een pen goed kunnen vasthouden en leesbaar kunnen schrijven; kunnen overschrijven van het bord; nauwkeurig kunnen spellen en vlot kunnen lezen en datgene dat ze gelezen hebben ook kunnen begrijpen. Het blijkt vrij vaak dat de kinderen die moeite hebben met één of meer van deze taken, niet de goede stadia van de vroege ontwikkeling hebben doorlopen, welke hen in staat moet stellen om het meeste te maken van hun intelligentie en hun persoonlijke mogelijkheden. Wanneer deze kinderen werden getest, bleken velen van hen nog primitieve reflexen te hebben. Daardoor is de leerweg voor hen moeilijker en met meer frustraties en aanverwante stress.

De INPP-methode legt Neuro-OntwikkelingsVertraging (NOV) uit als: het bij een kind nog steeds aanwezig zijn van een groep primitieve reflexen.

Kinderen met NOV kunnen passen in elk van deze volgende diagnostische categorieën:
Specifieke Leerproblemen:

  • Dyslexie
  • Dyspractie
  • Aandacht Tekort Syndroom (ADD)
  • Dyscalculie (rekenproblemen)
  • Onderpresteren

Gedragsproblemen:

  • Hyperactiviteit (ADHD)
  • Overmatige angst
  • Agorafobia (straatvrees)
  • Kinderlijk gedrag

Coördinatie problemen:

  • Slecht evenwicht
  • Onhandigheid
  • Ruimtelijke en lichamelijke waarnemingsproblemen

Misschien is uw kind voor geen van bovengenoemde kenmerken gediagnostiseerd, maar meer waarschijnlijk zal, als uw kind NOV heeft, hij/zij moeite hebben met een aantal van de volgende taken:

  • Een tweewielige fiets berijden
  • Gemixte tweezijdigheid boven 8 jaar
  • Last hebben van wagenziekte
  • Stil zitten in klas is onmogelijk
  • Lezen, spellen, schrijven en rekenen is moeilijker dan zou moeten zijn
  • Overschrijven gaat veel te langzaam
  • Gymlessen met koprollen, duikelen, klimmen, gooien of vangen van een bal gaat moeizaam
  • Tijdsbesef ontwikkeld zich maar langzaam
  • Zwemmen leren kan langer duren dan u dacht
  • Omdat het kind moeite heeft met het afmaken van de dagelijkse taken, kan het kind continu meer gespannen zijn dan zou moeten.

Als we bij de Neuro-Ontwikkelingstherapie inschatten dat een kind in aamerking komt voor deze therapie, kijken we naar al deze gebieden om voor het kind een reflexprofiel vast te stellen.
Onder Reflexen > Reflexen uitleg, worden enkele reflexen apart uitgelegd, zodat u meer te weten kunt komen over de werking van de reflex en wat er gebeurt als deze reflex in een kind actief blijft dan nodig is.