Ontwikkeling begint op de vloer

Inhoud:

De vloer
Reflexen
Leren door gevoel
Zelfvertrouwen en controle

De vloer

De tijd die een baby in zijn eerste levensjaar doorbrengt met op de grond in vrijheid te bewegen en zijn wereld te ontdekken, zal hem het vertrouwen in zijn eigen lichaam geven wanneer hij ouder wordt. Daarom moet de vloer het eerste speelterrein zijn van het kind.

Tegenwoordig staat in elk tijdschrift wel een artikel over dieet en fitness die onze gezondheid, schoonheid en geluk zouden bevorderen. Maar terwijl volwassenen steeds meer het nut in gaan zien van gezond leven met voldoende beweging, blijken onze kinderen zich steeds minder te bewegen. Ouders zouden hun kinderen kunnen helpen door ervoor de zorgen dat zij als baby veel tijd spelend op de vloer kunnen doorbrengen.

De wipstoeltjes en maxi-cosi's van tegenwoordig zijn voor ouders erg handig en praktisch, maar mogen in feite nooit de tijd vervangen die een kind elke dag spelend op de grond doorbrengt. Door de vrijheid van het bewegen krijgt het kind de mogelijkheid tot ontdekking, wat niet ervaren kan worden vanuit het wipstoeltje of de maxi-cosi.

Als de baby op zijn buik op de grond ligt, zal dit hem stimuleren om zijn hoofd omhoog te houden. Hoofdcontrole is een belangrijke voorloper van de meer complexe oogbewegingen, die in een later stadium nodig zijn voor lezen en schrijven. Goede spierspanning wordt ontwikkeld door schoppen en stompen in de lucht en door het constant herhalen van deze afwisselende bewegingen. Een wat oudere baby zal leren om zich van zijn buik op zijn rug te rollen en uiteindelijk ook leren zitten vanuit zijn positie op de vloer. Elk van deze stadia helpt hem bij het onder controle krijgen van verschillende delen van zijn lichaam, zodat hij uiteindelijk in staat zal zijn om zijn hoofd de ene kant op te draaien terwijl hij zijn arm de andere kant op beweegt. Dit is later nodig om te leren schrijven op school.

Om te kunnen gaan zitten moet de baby eerst allerlei stadia van ontwikkeling doormaken, waarvan elke stap een bouwsteen vormt voor de coördinatie in het verdere leven. Ook helpt dit spelen op de grond bij het tot stand brengen van belangrijke verbindingen binnenin het centrale zenuwstelsel. Wanneer een baby dus altijd maar in de zittende positie geplaatst wordt door de ouders, zal hij deze stadia niet doorlopen en kan hij bang worden om te vallen omdat hij de parachutereflex niet ontwikkeld heeft. Dit reflex helpt hem om rechtop te blijven zitten of voorkomt dat hij omvalt.

Reflexen

Reflexen zijn niet-aangeleerde onwillekeurige bewegingen die de baby als reactie vertoont op bepaalde prikkels vanuit zijn omgeving. Sommige van deze reflexen zijn cruciaal om te kunnen overleven in de eerste paar weken van het leven.

De Moro-reflex wordt geactiveerd door een onverwacht hard geluid. Klapt u maar eens onverwacht in de handen in de buurt van de baby, of leg het kind op zijn ruggetje in de handen, ondersteun het hoofdje en laat dan plotseling het hoofdje iets ''vallen''. De Moro-reflex zorgt er dan voor dat hij zijn armen omhoog en uiteen gooit, alsof hij iets wil vastpakken. Daarna komen de armen weer bijeen over de borst en geeft hij een luide schreeuw. Hierdoor zorgt hij ervoor dat er snel iemand bij hem zal komen wanneer hij zich angstig of bedreigd voelt.

Zo ook bijvoorbeeld bij de hechtingsreflex: raak de wang van de baby aan en hij draait zijn hoofdje naar de kant van de aanraking en probeert te gaan zuigen. Of bij de zuigreflex: stop een speentje in de mond van de baby en hij maakt automatisch ritmische zuigbewegingen.

Andere reflexen helpen bij het ontwikkelen van de juiste spierspanning, trainen de vroege hand-oogcoördinatie en helpen de baby met een primitieve reactie op de zwaartekracht.

Deze eerste groep van reflexen moet echter slechts in de eerste paar maanden van het leven actief blijven. Wanneer de baby zich verder ontwikkelt moeten deze reflexen onder controle komen van een hoger deel van de hersenen. Zo komt er weer ruimte voor een groep van bewegingsreflexen die de willekeurige bewegingen mogelijk maken en voor de rest van het leven actief moeten blijven. Dit ''onder controle brengen'' gebeurt als gevolg van beweging en oefening. Baby's en jonge kinderen leren door te doen.

Leren door gevoel

De mond van de baby vormt in het eerste levensjaar een bron van informatie voor het kind. Voordat hij zijn omgeving kan gaan ontdekken met zijn handen en zijn ogen, leert hij de grootte, de vorm en de structuur via zijn mond. In de mond zitten miljoenen neurologische verbindingen met de hersenen, die, telkens wanneer ze gebruikt worden, allerlei sensorische en ruimtelijke informatie in de hersenen ''in kaart'' brengen. Wanneer het kind vrijelijk zijn mond mag gebruiken om te ontdekken, zal hij ook vrij zijn om te experimenteren met geluiden - kirren, brabbelen en imiteren - wat het begin is van spreken en taalontwikkeling.

Zelfvertrouwen en controle

Beweging is de eerste taal van de baby. Lang voordat het spreken zich ontwikkelt, uit de baby zich met zijn lichaam. Hoe meer vrijheid en gelegenheid hem zijn geboden in bewegen, des te groter zal het zelfvertrouwen en de controle over zijn lichaam later in het leven zijn.

Wanneer een baby leert kruipen, is men vaak geneigd zijn vrijheid te beperken in het belang van zijn veiligheid. Wipstoeltjes en loopstoeltjes zijn hier handige hulpmiddelen bij, mits het kind er niet te veel tijd in doorbrengt.

De beweging van het kruipen, eerst op de buik en later op handen en knieën, helpt bij het vastleggen en integreren van het zich ontwikkelend evenwichtssysteem met het gezichtsvermogen en de spiercontrole. Het traint ook de hand-oogcoördinatie op de juiste visuele afstand, die hij een paar jaar later nodig zal hebben om te leren lezen en schrijven. De tijd en afstand die het kind kruipend in het eerste jaar doorbrengt, helpen een basis te leggen voor een later vermogen tot lezen en schrijven.

Het evenwicht wordt ontwikkeld door beweging: de zachte beweging die de moeder maakt en die het kind ervaart in de baarmoeder, met daarna een hele reeks van bewegingen van heen en weer wiegen vlak vóór het kind gaat kruipen, reiken, strekken, rollen, schommelen en kopje duikelen. Door bewegingen worden de verbindingen gemaakt tussen het evenwichtsmechanisme en de hogere delen van de hersenen. Dit proces neemt zeven tot acht jaar in beslag, gedurende welke tijd beweging een natuurlijk en dagelijks onderdeel moet zijn van het spelen van een kind.

Het drie tot zes jaar oude kind dat alsmaar springt, huppelt en ronddraait terwijl hij de straat doorloopt, is nog steeds bezig om zijn evenwicht te stabiliseren. De hoogste vorm van evenwicht is het compleet stil kunnen staan. Hierbij moeten namelijk alle lichaamsfuncties en spiergroepen samenwerken zonder het continu bijstellen van de lichaamshouding en hierdoor is dan de volwassen houdingscontrole zichtbaar. Het vermogen om stil te staan/zitten, is verbonden met het vermogen om op te letten. Een kind dat niet stil kan zitten, weet instinctief dat hij nog aan zijn evenwicht moet werken.